Traditionele scheenbeschermer ©Pixabay

Een scheenbeschermer is misschien het minst opvallende stuk van een voetbaluitrusting, maar ooit was het bedoeld om iets essentieels te doen: voetballers beschermen tegen stevige trappen op het scheenbeen. Vandaag is dat stukje plastic steeds kleiner geworden. In het profvoetbal zie je miniatuurmodellen die nauwelijks groter zijn dan een smartphone. Hierbij verdwijnt de klassieke scheenbeschermers uit beeld.

9/12/2025 – Axel Ballekens

“Je ziet het letterlijk week na week kleiner worden”, vertelt Beerschot-verdediger Andres Labie, die de trend van dichtbij meemaakt. “Rond mij spelen steeds meer jongens met micro-lapjes. Sommige zijn bijna niks. De trend is duidelijk: hoe kleiner, hoe beter.”

Dat jonge spelers steeds vaker kiezen voor kleine modellen, is volgens Lars Piesschaert (physical coach bij Zulte Waregem) vooral een kwestie van comfort. “Veel spelers houden van vrijheid rond het onderbeen. Ze willen geen strakke tape rond een grote scheenbeschermer.” Ook binnen zijn eigen spelersgroep ziet hij een duidelijke trend: jongere spelers kiezen het kleinst mogelijke model, oudere spelers gaan meestal voor iets grotere. “Een Jelle Vossen ga je nooit zien met een scheenbeschermer van twee op twee. Dat gebeurt gewoon niet.”

“Een Jelle Vossen ga je nooit zien met een scheenbeschermer van twee op twee. Dat gebeurt gewoon niet”

Lars Piesschaert – Physical Coach Zulte Waregem
Voorbeeld van zo’n mini-scheenbeschermer gemaakt door het bedrijf Flair ©Flair

Blessures met zo’n scheenbeschermers

Toch is het nut van die grote bescherming minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Physical coach Lars Piesschaert van Zulte Waregem ziet het dagelijks. “De scheenbeschermers die nu gebruikt worden, zijn heel klein”, zegt hij. “Ze beschermen eigenlijk alleen nog het scheenbeen, en dat vooral tegen heel zware blessures zoals echte breuken. Alhoewel het percentage scheenbeenblessures heel klein is in vergelijking met andere letsels.”

Volgens Piesschaert zijn hamstringblessures, pubalgie, adductorenproblemen, knieletsels en enkelverzwikkingen veel frequenter dan scheenbeenletsels. “Een grotere scheenbeschermer gaat dat soort blessures niet verminderen. In dat opzicht maakt het weinig verschil of je een grote of kleine gebruikt.” Toch herinnert hij zich dat vroegere modellen wel iets extra’s boden. “Vroeger had je scheenbeschermers met een enkelkap. Lomp, zeker, maar ik denk dat die misschien wel een positief effect hadden. Vandaag zien we veel meer enkelblessures. Een deel daarvan zou je misschien kunnen vermijden met zo’n oud model.”

Impact op de jeugd

Hoewel hij geen groot risico ziet voor profs, waarschuwt Piesschaert wel nadrukkelijk voor de gevolgen bij jongeren. “Als jeugdspeler ben je nog volop in ontwikkeling. Je botten zijn minder sterk. Een trap op het scheenbeen komt dan veel harder binnen. Bij jeugd moet het absoluut verplicht blijven en gecontroleerd worden.” Mini-modellen beschouwt hij dan ook niet als volwaardige bescherming. “Een lapje van twee op twee centimeter is geen scheenbeschermer. Punt.”

Wat zeggen de regels van de KBVB en de IFAB?

Op papier is het simpel: volgens de regels van de FIFA en de KBVB is het dragen van scheenbeschermers verplicht. Maar nergens staat wát dat precies betekent. Geen minimumlengte, geen materiaalnorm, geen controle. De scheidsrechter moet toezien op “adequate bescherming”, maar wat dat inhoudt, blijft vaag. Alleen de kous moet tot de helft van het scheenbeen komen.

De IFAB-regel spreekt in termen van “adequate bescherming”, maar in de praktijk blijft dat een subjectieve interpretatie. “De speler beslist zelf wat voor hem voldoende is”, zegt technisch directeur Arbitrage Jonathan Lardot. “Wij kunnen daarop wijzen, maar de eindverantwoordelijkheid ligt bij de speler.” Volgens hem is dat een gevaarlijke situatie: “De IFAB zou een minimale grootte moeten vastleggen. Een kleine beschermer of geen beschermer, dat is voor mij bijna hetzelfde. Ze beschermen eigenlijk weinig.”

De verantwoordelijkheid ligt dus bij de speler volgens de officiële regels ©IFAB

De controle op de scheenbeschermers

Dat het reglement spreekt over “adequate bescherming”, betekent nog niet dat er in het profvoetbal effectief gecontroleerd wordt. Assistent-scheidsrechter Martijn Tiesters, actief in de Jupiler Pro League, schetst een opvallend beeld: de scheenbeschermer is in de praktijk zo goed als verdwenen uit de controleprocedure.

“De controle gebeurt wel”, legt Piesschaert uit, “maar de nadruk ligt volledig verkeerd. Scheidsrechters kijken vooral naar de tape: is de kleur juist, zit hij laag genoeg? Niet naar de scheenbeschermers zelf.” Dat gebeurt soms zelfs op een bijna rituele manier. “Spelers weten perfect waar hun mini-scheenbeschermer zit. Ze tikken er even op en dat volstaat. Niemand kijkt na of dat lapje eigenlijk groot genoeg is.”

“Wij controleren dat eigenlijk niet meer”, zegt Tiesters zonder omwegen. “We letten nog op afgeknipte kousen en op sieraden, maar dat is het. Of iemand effectief een scheenbeschermer draagt en hoe groot die is, dat checken we bijna nooit.”

“Of iemand effectief een scheenbeschermer draagt en hoe groot die is, dat checken we bijna nooit”

Martijn Tiesters – Assistent-scheidsrechter Jupiler Pro League

De oorzaak van de moeilijke controle

Volgens hem ligt de oorzaak vooral bij de strakke tv-planning die het profvoetbal dicteert. “Onze voorbereiding is volledig getimed. We verlaten exact acht minuten voor de aftrap de kleedkamer, hebben hooguit anderhalve minuut voor een schoenencontrole en daarna moeten we klaarstaan in de tunnel. Er is gewoon geen tijd meer om elke speler grondig te controleren.”

Dat werd volledig ontkracht door Jonathan Lardot: “Dat klopt niet. Ze moeten daar tijd voor nemen. Spelers moeten gewoon op tijd klaarstaan, anders ligt de verantwoordelijkheid bij de club.” Waarom spelers kiezen voor die minimale bescherming, weet hij niet precies. “Misschien omwille van comfort, of omdat ze denken dat het hun balcontrole beperkt”, zegt hij. Toch blijft hij ervan overtuigd dat blessures door onvoldoende bescherming de verantwoordelijkheid zijn van clubs en spelers. “Wij als scheidsrechters dragen al genoeg verantwoordelijkheid.”

“Ze moeten daar tijd voor nemen. Spelers moeten gewoon op tijd klaarstaan, anders ligt de verantwoordelijkheid bij de club.”

Jonathan Lardot – Technisch Directeur Arbitrage

Strengere regels of niet?

Volgens Tiesters gaat het debat pas open wanneer er iets misloopt. “Het is typisch voetbal. Zolang er geen zware blessure gebeurt, blijft dit onder de radar. Maar de dag dat een speler een scheenbeenbreuk oploopt en blijkt dat hij geen bescherming droeg, dan barst de discussie weer los. Daarom moeten we in België proberen proactief te handelen en niet reactief.”

“De dag dat een speler een scheenbeenbreuk oploopt en blijkt dat hij geen bescherming droeg, dan barst de discussie weer los”

Martijn Tiesters – Assistent-scheidsrechter Jupiler Pro League

Of de regels strenger moeten? Tiesters twijfelt. “Het reglement is duidelijk genoeg: je moet ze dragen. Hoe groot of hoe stevig, dat blijft een eigen verantwoordelijkheid. Maar misschien moeten wij als refs wel consequenter controleren of ze er überhaupt zijn.”

Jonathan Lardot wil toch meer duidelijkheid: “Wij volgen gewoon het reglement en staan in contact met IFAB. Ze zullen de tekst niet zomaar aanpassen.” Toch pleit hij voor meer duidelijkheid, bijvoorbeeld een minimumlengte van de beschermer. “Dat zou goed zijn, maar dat betekent ook dat scheidsrechters opnieuw meer moeten controleren”, voegt hij toe. “Ik geef enkel mijn gevoel door aan IFAB. Als ze veranderingen willen, passen wij dat toe.”

Bovendien spelen spelers zelf graag creatief met de regels. Labie lacht: “Ik heb al alles gezien. Eén keer, bij de beloften van Zulte Waregem, had iemand wc-papier opgerold en in zijn kous gestoken. Gewoon zodat het leek alsof er iets zat. Dat zegt eigenlijk genoeg.”

“Er had zelfs iemand wc-papier opgerold en in zijn kous gestoken”

Andres Labie – Profvoetballer bij Beerschot

Scheenbeschermer nog steeds belangrijk

De scheenbeschermer is in het profvoetbal verworden tot een symbool. Hij is verplicht volgens het reglement, maar wordt steeds kleiner, nauwelijks gecontroleerd en vooral gedragen om in orde te zijn met de vorm. Blessurecijfers lijken dat te ondersteunen, want scheenbeenletsels zijn zeldzaam en grotere beschermers voorkomen geen andere, frequentere blessures. Tegelijk zorgt de vaagheid van de regels, waarin enkel sprake is van “adequate bescherming”, voor een grijze zone waarin spelers, clubs en scheidsrechters verantwoordelijkheid doorschuiven en minimale bescherming probleemloos wordt aanvaard.

Het grootste risico ligt niet bij de profs, maar bij de jeugd die dit gedrag kopieert. Voor jonge spelers in volle ontwikkeling kan een trap op een nauwelijks beschermd scheenbeen wel degelijk zware gevolgen hebben. Zolang controle ontbreekt en duidelijke richtlijnen uitblijven, dreigt een basisveiligheidsregel haar betekenis te verliezen. De kernvraag is dan ook niet of scheenbeschermers groter moeten, maar moet het voetbal opnieuw duidelijk bepalen wat minimale bescherming is, alvorens een ernstig incident voorkomt.

Beluister zeker ook mijn reportage

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *