‘Oudere generaties psychiaters zeggen: ‘Je bent toch niet Jantje, Pietje, Poltje’’

Hilde Moreel (54) had bijna haar hele leven een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS). Als ervaringsdeskundige probeert ze de vaak onopgemerkte stoornis onder de aandacht te brengen. “Wanneer gaat het over DIS? Als een crimineel vreselijk toeslaat en uit de psychiatrie komt.”

Dissociatieve identiteitsstoornis heette vroeger meervoudigepersoonlijkheidsstoornis. Eenzelfde patiënt kan het ene moment dus een totaal verschillend persoon zijn dan het andere moment. Die verzameling aan fictieve identiteitskaarten, soms hebben de persoonlijkheden aparte namen, verstoren de tijdsbeleving van en geven een vervreemd gevoel aan mensen met DIS. “In de namiddag ben je bijvoorbeeld vergeten wie je in de voormiddag getelefoneerd hebt, omdat je al naar een andere persoonlijkheid geschakeld hebt”, legt Hilde uit. Ze ontwikkelde de stoornis zoals de meerderheid als overlevingsmechanisme toen ze mishandeld werd in haar kindertijd. Ze sloot zich automatisch af, dissocieerde van de traumatische ervaringen door een andere identiteit aan te nemen. In 2018 voltrok zich het onwaarschijnlijke: Hilde integreerde. Haar verschillende delen werden weer een geheel. Er huisde vanaf dan maar één iemand in haar lichaam, waar dat ervoor meerdere waren.

Wat zorgde voor je integratie?

“Ik deed alles om graag gezien te worden. Het was uiterst belangrijk voor mij en ik ging daarvoor over mijn grenzen. Ik zat naast het sterfbed van een goede vriendin die kanker had. Ze was schijnbaar overleden toen ze plots wakker werd en zei: “Ik zie je graag.” Die woorden bevestigden zo hard dat ik graag gezien werd dat al mijn delen integreerden. Normaal evolueren mensen met DIS geleidelijk aan richting integratie. Ik weet niet of er überhaupt patiënten zijn die net als ik in een vingerknip geïntegreerd zijn.”

Hoe voelde dat moment?

“Het was alsof je geboren werd met een loodzware rugzak, als een volwassene. De gevoelens die voordien gespreid over de verscheiden persoonlijkheden binnenkwamen, moest ik nu alleen verwerken.  Zo’n explosie kon ik niet verdragen. Ik ben enorm beginnen te huilen omdat ik niets meer kon afsplitsen, bij een ander deel leggen. De integratie zorgde ook voor fysieke klachten. Mijn ogen en slijmvliezen droogden uit. Drie maanden daarna stapte een dichte vriend van me uit het leven en raakte ik in een psychose. Ik verbleef 40 dagen in gedwongen opname en door miscommunicatie met de hulpverleners zat ik zelfs tien dagen in isolatie. Ik at en dronk niets waardoor de zorgverstrekkers dachten dat ik suïcidaal was, maar dat was omdat ik vreesde dat zij mij dood wilden. Het duurde maanden om te herstellen van mijn integratie. Na bijna drie jaar vind ik het positief dat ik geïntegreerd ben, maar de eerste drie jaar had ik dat niet gezegd.”

‘Het was alsof je geboren werd met een loodzware rugzak’

Je geeft ook na de integratie nog getuigenissen over DIS. Waarom doe je dat?

“In de opleidingen psychiatrie en psychologie wordt er zelden gesproken over DIS. In België blijft dat een taboe. Ik wil daarom ook niet anoniem vertellen over mijn vroegere stoornis. We moeten het bekendmaken. Wanneer gaat het over DIS? Als een crimineel vreselijk toeslaat en uit de psychiatrie komt. Ik ben het levende bewijs dat DIS wél bestaat. De oudere generaties psychiaters zeggen: “Je bent toch niet Jantje, Pietje, Poltje.” Nee, maar ik ben wel gefragmenteerd.”

Hoe komt het dat er in België zo’n gebrek aan kennis is over DIS?

“Als eerste ervaringsdeskundige heb ik samen met een psychologe een artikel geschreven voor het vakblad Klinische Psychologie. Op een zeker ogenblik ontstond er een conflict tussen ons. Ze zei: “Is de kennis over DIS misschien zo klein omdat het niet veel voorvalt?” Daarover struikel ik. Het valt wel veel voor, maar het wordt mis gediagnosticeerd als borderline of schizofrenie. In de verslagen uit de tijd dat ik gecolloqueerd was, staat er borderline. Zelfs in een psychiatrisch ziekenhuis erkenden ze het niet. Gepaste hulp vinden is een ramp. Echt DIS-gerichte therapie doe ik nog maar negen jaar. Rekening houdend met de integratie heb ik vijf jaar doeltreffende therapie gehad, van een psychiater uit het schaarse kransje experts. Er is een tekort aan gespecialiseerde mensen omdat er in België ook te weinig opleidingen rond zijn. In Nederland staat de psychiatrie een stuk verder.”

‘Ik ben het levende bewijs dat DIS wél bestaat’

Wat betekent vrijwilligerswerk voor jou persoonlijk?

“Ik geef lezingen aan studenten verpleegkunde, ergotherapie en klinische psychologie. Die gaan naast DIS ook over de psychiatrie in het algemeen. Ik engageer me daarvoor omdat ik iets wil doen met wat ik meegemaakt heb, opdat het een beetje zinvol wordt. Het is ook het enige wat ik er mee kan doen. Ik sta op invaliditeit en ga dus niet werken zoals iemand anders. Nu ik een doel heb in mijn leven en mijn dag kan vullen, is het verbeterd. Dat is noodzakelijk om je goed in je vel te voelen en niet te hervallen. Vrijwilligerswerk geeft, hoe klein ook, betekenis aan mijn leven.”

Heb je ten slotte ook positieve herinneringen overgehouden aan de geestelijke gezondheidszorg?

“Ja, het was niet allemaal kommer en kwel in de psychiatrie. We hebben ons ook geamuseerd in het psychotherapeutisch centrum. We gaven dan feestjes op onze kamers met drank, nootjes en chips. ’s Nachts was er maar één opzichter voor vier paviljoenen. We reden met de fietsen door de gangen van het gebouw. Mijn hond heeft daar nog gelogeerd, maar ik ben wel betrapt. Je steekt van alles uit. Mensen met een psychische problematiek die een moeilijke thuissituatie gehad hebben, maakten hun puberteit niet mee. Dan kom je in een veilige omgeving van een opname en puber je pas op latere leeftijd. Als de hele groep een verlate puberteit beleeft, is het natuurlijk van jolijt.”