Column: Moeder wacht in de wagen

Gisteren bij de bakker stond voor me een jongeman die nog niet zoveel ervaring had met bakkersbezoeken. Van zijn moeder had hij twee en een halve euro meegekregen, wellicht de gepaste som voor het brood waarvan hij de naam onophoudelijk aan het herhalen was in zijn hoofd om straks niet de mist in te gaan bij zijn bestelling. Hij werd voorafgegaan door een oude dame die een ruime bestelling doorgaf. Met zweterige handen en een hart dat bonkte in zijn keel stond hij te wachten tot zijn moment kwam, zijn allereerste bestelling. Duidelijk werd me dat de dame toch niet bijzonder veel bestelde, maar de lange duur te wijten was aan de bakkersvrouw die tergend traag werkte. Zo traag leek het toch, maar was het vast niet. Als je daar staat en niks anders te doen hebt dan jouw omgeving te observeren, ga je de tijd wellicht snel overschatten. Uiteindelijk was ik nog niet eens een minuut binnen, zo schatte ik.

Tussendoor zocht de bakkersvrouw even oogcontact met mij, de derde klant in het beperkte rijtje der wachtenden. We keken elkaar recht in elkaars ogen, en ik realiseerde me prompt waarschijnlijk een te boze, zwaar geïrriteerde blik te hebben. Ik durf erop te wedden dat de bakkersvrouw toen innerlijk diep zuchtte, denkend dat die gozer achteraan die ze in de ogen keek maar even geduld moest hebben, want zij staat er elke dag van zeven tot zeven, alsook op zondag, en hij maar één, hoogstens twee minuten. Ik was niet geïrriteerd, noch boos door het wachten. Ik had tijd en liep over van geluk. Ik was jong, een student met alle kansen die het voorrecht genoot deze bakkerij te mogen observeren en mee te maken hoe een jongeman zo meteen zijn eerste brood zal bestellen. Ik was gelukkig! Ik wou mijn waarschijnlijk boze en geïrriteerde blik nog inwisselen door een big smile, vergezeld van een vriendelijke knik, maar de bakkersvrouw keek al weg, ertegen opziend om straks die geduldloze te bedienen. Het was allemaal een misverstand, wou ik haar graag zeggen. Ik was niet geïrriteerd door haar trage werken, ik was opperbest gestemd. Maar ik zei het uiteraard niet, omdat het anders vreemd zou worden. Alsof uitgerekend ik me druk zou maken om een trage bediening. Ik, die met absolute afschuw kijk naar zij die zich ergeren wanneer het traag gaat, zoals een mafkees zonder geduld wanneer hij met zijn snelle wagen achter een landbouwvoertuig of tachtigplusser komt te zitten. Of hij die zich ergert aan de drieminutenvertraging van de trein met bestemming Gent-Sint-Pieters.

Het was zover. De oude dame had betaald en draaide zich in de richting van de deur om de bakkerij te verlaten. Het was de beurt aan de jongeman die nog net niet in zijn broek had geplast. Hij was een jaar of zes, schatte ik. Nu waren hij, de bakkersvrouw en ik de enigen in de bakkerij. Met de zenuwen die te horen waren in zijn stem, gaf hij zijn bestelling door: “Eén folklorebrood, alsjeblieft.” Meteen na zijn woorden zocht de bakkersvrouw opnieuw mijn ogen op om in te kijken. Ze vroeg zich waarschijnlijk, net als mij, af of ze het wel goed verstaan had. Een folklorebrood, was dat nou wat hij gevraagd had? Een folklorebrood, werkelijk? Ik had het meteen door. Hij bedoelde geen brood waaruit volkse muziek komt, hij bedoelde een volkorenbrood. Dat was het, een volkorenbrood. Dat had ook de bakkersvrouw haarfijn begrepen, zo bleek wanneer ze een volkorenbrood met als kostprijs twee en een halve euro van het rek haalde. Herinnert u zich nog dat de jongen al die tijd de naam die zijn moeder hem doorgaf had staan herhalen in zijn hoofd om niet de mist in te gaan wanneer het zijn beurt zou zijn? Wel, hij was met glans geslaagd. Niet in het correct onthouden van de naam, maar wel in het niet de mist ingaan. Met dank aan de discretie en tact die de bakkersvrouw aan de dag wist te leggen.

Toen de jongeman, gierend van de adrenaline op weg naar de uitgang was, keek de bakkersvrouw me voor de derde maal in de ogen. Ik probeerde met mijn blik mee te geven dat ik uitzinnig was van de goede manier waarop ze het aangepakt had door de jongeman zijn bestelling niet te laten herhalen en hem zo met zijn mond vol melktanden zou gezet hebben. De jongen zal nu misschien wel denken dat zijn brood werkelijk de naam folklorebrood draagt, maar daar komt hij nog wel achter. Hij is nog kinds, onschuldig en met een oneindige gratie om fouten te maken. Dat terwijl ik hier sta, 19 jaar oud en studerend aan de hogeschool, melancholisch omdat ik wél al verondersteld is te weten dat volkoren de correcte benaming is, en omdat ik geen gepast geld meer meekrijg van mijn moeder. Soms wou ik, dat het allemaal wat trager was gegaan.