Niet elke Vlaamse boer zit in moeilijkheden

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is image-4.png



De Vlaamse landbouwsector heeft het hard te verduren. Boeren hebben het niet gemakkelijk door de concurrentie die veroorzaakt wordt door massale import. Daarnaast zijn er weinig jongeren warm te maken voor de harde stiel. Toch zijn er nog boeren in Vlaanderen die wel succes boeken.  

Marc Bossuyt is een gepassioneerde West-Vlaamse hertenboer. Hij is samen met zijn vrouw de eigenaar van de boerderijhoeve ‘De Bouvrie’ in Bossuit. “Boer zijn zit in je bloed, je bent ermee geboren”, begint Marc. “Van jongsafaan heb ik de liefde voor de stiel gevoeld.” Toch koos Marc in het middelbaar een algemene opleiding, om zich voor te bereiden op de dag dat de boerenstiel zou uitsterven. “In de jaren ‘80 het ook al achteruit met de landbouw, dus ik wilde een plan B hebben.” Na de middelbare school besloot Marc hoe dan ook de weg van de landbouw in te slaan. Zijn vader werd een dagje ouder en zijn vader duwde hem in de richting van de landbouwstiel. Die keuze voelde voor Marc aan alsof het zijn enige optie was. “Ik was gedreven, en ben dat nog steeds.”

Bossuyt heeft het getroffen in de landbouwwereld. Hij beschikt over tal van verschillende producten om de markt mee op te gaan. Van aardappelen en maïs tot groenten die we leveren aan diepvriesbedrijven zoals wortelen en spinazie. Behalve groenten heeft Marc ook vee rondlopen op de 60 hectare grote boerderijhoeve. “We hebben zo’n 60-tal Blonde d’Aquitane-runderen, een tiental schapen en ongeveer 300 edelherten”, vertelt Marc. “Vandaag gonst het van de geruchten om de vlees- en zuivelproductie stil te leggen omdat dat belastend is voor het milieu. Maar de bronnen van die geruchten vergeten dat je dan onmiddellijk bijna drie vierde van de landbouwgrond mag uitschakelen. Wereldwijd is 70 procent van de beschikbare landbouwgrond geschikt voor veeteelt, en geen akkerbouw. De meeste gewassen eisen een vruchtbare grond, wat niet overal te vinden is. De meeste landbouwgrond is nog steeds weidegrond waar je geen groenten kan telen.”

Alvorens Marc Bossuyt de boerderij overnam in 1995, heeft de West-Vlaming een negental jaar samengewerkt met zijn vader. De boerderij zit immers al sinds de 17e eeuw in de familie. “Dat was een interessante periode waarin ik veel ervaring heb opgedaan”, aldus Bossuyt. “In 1995 besloten mijn vrouw en ikzelf om de boerderij zelf uit te baten.” Al snel besefte Marc dat hij een andere weg moest inslaan om de boerderij in leven te houden. “Het werkstramien van mijn vader zou in deze moderne tijden onmogelijk zijn om vol te houden. Ik kweek bijvoorbeeld koeien voor het vlees, en niet voor melkproductie. Mijn vader had melkkoeien, mestvee en teelde groenten op de akkers.” De eerste verandering die Marc doorvoerde was het vergroten van de landoppervlakte. “Als tweede maatregel heb ik de melkproductie laten varen. In die tijd werd het melkquota ingevoerd. Die bepaalde hoeveel liter melk je mocht produceren en aanleveren. Je kon zomaar niet uitbreiden.”

In de jaren ’90 brak in België de hormonen- en dioxinecrisis uit. Daar heeft de landbouwsector serieus van afgezien. “We moesten het ondergaan en we konden er zelf niets aan doen. De wetgeving rond het runnen van een boerderij werd boven onze hoofden beslist, dus was de boer vanzelfsprekend het slachtoffer.” Zo zie je maar hoe kwetsbaar boeren al altijd geweest zijn. “De overheid, de banken en de landbouworganisaties hebben ons jarenlang aangespoord om zoveel mogelijk te produceren, wat tot overproductie leidt. Op de tweede plaats komt het feit dat uw producten moet aanleveren aan verwerkingsbedrijven die zelf de prijs beslissen van uw product. Je kan de prijs niet bepalen voor het gene waarin je al die tijd en moeite steekt. Als je mestvee aanlevert aan het slachthuis krijg je pas op het moment dat het dier geslacht is te horen hoeveel je eraan verdient. Je kan er niet mee akkoord zijn maar uiteindelijk kan je er niets aan veranderen. Het dier is geslacht”, aldus Marc.

Die problemen waren voor Marc de grootste motivatie om een ommezwaai door te voeren in zijn bedrijf. “Ik wilde uit de gangbare landbouw stappen”, zegt Marc. Het werd tijd voor een nieuwe uitdaging. Door de hormonencrisis in de jaren ‘90 kreeg rundvee een slechte reputatie, “dus besliste ik ook een ander soort vee te beginnen kweken, edelherten”, vertelt Marc. Geen evidente keuze volgens de hertenboer. “In Vlaanderen was dat echt pionierswerk, ik was hier in 1998 een van de eersten om daarmee te beginnen. Maar omwille van het feit dat ik al jaren ervaring had met het verzorgen van dieren was de overstap niet zo moeilijk.”

Na de grote verandering die Marc in zijn boerderij doorvoerde, werd hij al snel overspoeld met spottende reacties van andere boeren, die het concept van een boer die zelf zijn dieren kweekt, slacht en verkoopt, niet begrepen. “Veel boeren konden met hun verstand niet bij mijn visie op mijn boerderij. Dat komt enerzijds door het feit dat de toenmalige hype, het kweken van struisvogels, op een enorme flop is uitgedraaid”, zegt Marc. Vandaag is er van spottende reacties absoluut geen sprake meer. “Integendeel, ik krijg nu zelfs lovende reacties, ze kunnen begrip opbrengen voor mijn manier van werken. Dezelfde mensen die me toen bekritiseerden zeggen nu dat mijn keuze gerechtvaardigd is.”

De keuze om in de korte keten te stappen, geeft Marc veel voordelen. Marc staat dichter bij de klanten en kan zelf de prijs van het vlees bepalen. Tussenschakels sluit hij uit, om een volledige onafhankelijkheid te kunnen bewaren. “Dat zorgt ervoor dat ik een beter inkomen heb dan de gemiddelde boer met een conventioneel bedrijfspatroon.” Als je je prijs kan bepalen aan de hand van de investeringen die je levert is het gemakkelijker om uit uw kosten te geraken”, aldus Marc.  Anderzijds vergt de korte keten ook grote investeringen. “De beenhouwerij die ik in de boerderij integreerde heeft me veel gekost. Daarnaast komt er ook extra werk bij kijken. Je moet niet alleen de zware arbeid verrichten zoals andere boeren, maar je moet ook extra administratie verzorgen. Je moet zowel een boer als handelaar zijn.” Het takenpakket van de moderne boer is helemaal niet eenzijdig dus.

Boeren op een Kruispunt

Toch zijn er nog steeds boeren die het moeilijk hebben om rond te komen. Boeren op een Kruispunt is een aanspreekpunt voor landbouwers in moeilijkheden.

“Yves Leterme, de toenmalige minister van Landbouw, ontdekte dat heel wat boeren in nood zaten en niet verder werden geholpen”, begint Riccy Focke, algemeen directeur van Boeren op een Kruispunt. Als gevolg werd Boeren op een Kruispunt opgericht door de boerenbond ABS (Algemeen Boeren Syndicaat). “We werken op een onafhankelijke manier. De autonomie zorgt ervoor dat we discreet kunnen zijn in onze begeleiding, en onze eigen wil kunnen doorvoeren.” De vzw wordt voor twee derde gesteund door de overheid, en een derde van de investeringen komen uit de private hoek. “Het grootste probleem voor de hedendaagse boer is een zeker inkomen verwerven. De concurrentie door import van exotische groenten zorgen voor een serieuze hap in hun marktaandeel.”

 “Op 1 februari 2007 ben ik gestart met een blanco blad in mijn living. Ik heb de organisatie dus helemaal eigenhandig uitgestippeld. Ik heb dertig jaar meegedraaid in de bedrijfswereld, dus voor mij was dit een zeer grote uitdaging”, vertelt Riccy. “Mijn job bestaat erin als coördinator een helikoptervisie te houden van waar we mee bezig zijn. Daarnaast help ik de medewerkers aansturen en los ik problemen op waar nodig.”

Boeren op een Kruispunt gaat zelf niet actief op zoek naar boeren die in de problemen zitten. “We proberen vraaggestuurd te werken, want het is moeilijk om alle problemen zelf op te sporen”, zegt Focke. “Een boer die beseft dat hij problemen heeft en bereid is er iets aan te doen, kan bij ons terecht. We hebben wel heel wat ‘aanmelders’, zij kunnen rekenen op een folder bijvoorbeeld die per mail toekomt. In die folder staat contactinformatie en getuigenissen van boeren die reeds geholpen werden door ons. De organisatie bezoekt jaarlijks heel wat gezinnen die om hulp vragen. “In dertien jaar tijd zijn we bij zo’n 2500 gezinnen langsgegaan in Vlaanderen. Dat is zo’n negen à elf procent van alle  Vlaamse landbouwbedrijven (23.000)”, aldus Focke. Ook blijkt dat leeftijd helemaal geen rol speelt. Riccy vindt het vanzelfsprekend dat mensen vanuit alle leeftijdscategorieën kwetsbaar zijn. “We gaan langs bij mensen van alle leeftijden en uit alle sectoren om te vragen of we ze kunnen bijstaan in hun dagelijks werk. Dat is ook normaal, want iedereen in onze samenleving is voor een deel kwetsbaar.”

“Wat is de kans dat u de eerste bent in Vlaanderen met uw probleem?”

“Het aantal competenties die een boer nodig heeft om succesvol te zijn, raakt niet meer in een en hetzelfde hoofd.” Dat is het grootste probleem bij de Vlaamse boeren volgens Riccy. Boeren moeten volgens de directeur zodanig veel kunnen dat ze uiteindelijk moeten toegeven dat het te veel wordt.  Wanneer een boer voldoende verdient, kan hij de tijd nemen om zich toe te spitsen op de organisatorische kant van het verhaal, “maar wanneer het inkomen te laag is, kan dit uiteraard niet”, zegt Riccy.

 “Wanneer een boer komt aankloppen, proberen we ‘de mens’ centraal te plaatsen in onze begeleiding.” In eerste instantie probeert de organisatie ervoor te zorgen dat het probleem niet groter wordt. “We stellen iedere boer dezelfde vraag : ‘Wat is de kans dat u in Vlaanderen de eerste bent met dit probleem?’ Het probleem is al elders en eerder opgelost, dus moeten we de oplossing opnieuw kunnen bieden.” Daarnaast is het normaal dat een boer ooit zal geholpen moeten worden door sociale hulp, volgens Riccy. “Iedereen heeft als mens wel een moment dat zij of hij hulp nodig heeft, en dat is bij boeren niet anders. Het is aan ons om mensen snel en efficiënt tot verbetering en verandering te inspireren.” Iedereen blijft kwetsbaar, je kan nooit iemand in die mate helpen dat hij of zij niet meer kwetsbaar is. Dat is onzin.”

 “Concreet proberen we mensen vooral te helpen op vlak van administratie. We zien dat veel boeren niet in orde zijn met hun papierwerk. Het is aan ons om die papieren terug in orde te brengen. We vertellen hoe het beter moet in de toekomst. Vaak vertellen we wat mensen moeten weten, maar niet willen horen. Met onze ervaring zoeken we naar manieren om de landbouwer bij te staan. Want als wij die niet vinden, dan de boer zeker niet.”

“Heel wat boeren hebben ook psychologische hulp nodig”, zegt Riccy. Daarom werkt Boeren op een Kruispunt samen met een achttal freelance-psychologen. Die luisteren naar het verhaal van boeren in problemen. “Ze leren de boeren dat ze moeten accepteren wat niet te veranderen valt. Want volgens mij zijn er namelijk twee dingen in het leven : veranderen wat je kan en accepteer wat je niet kan veranderen. En hopelijk heb je de wijsheid om het onderscheid te zien”, beaamt Riccy.

Volgens Marc is de voornaamste reden waarom in onze streek boeren stoppen het feit dat ze geen opvolgers hebben. Boerderijen die moeite hebben met groeien en waar ze de eindjes aan elkaar moeten knopen om rond te komen zijn de eerste slachtoffers, volgens Marc. De kinderen hebben niet altijd de motivatie om de boerderij verder te zetten. “Zij hebben namelijk gezien dat het een harde stiel is waarbij je niet altijd veel mee kan verdienen. Persoonlijk ken ik twee boeren die gestopt zijn omdat ze het niet meer zagen zitten. Ze hebben lang en hard gewerkt zonder dat ze er goed hun brood mee verdienden. De ene was een melkveehouder en de andere een varkensboer. Nu zijn ze beiden tewerkgesteld bij aannemers in de bouwsector.” Marc zelf kan weinig kwijt over de opvolging van zijn boerderij. “Ik heb twee zonen dus in principe zou het wel kunnen, maar je moet de liefde voor de landbouw koesteren. Onze boerderij is een gezond bedrijf met een goede handelspositie dus er zit zeker nog toekomst in.”

“Het probleem is dat de meeste boeren hulp zoeken als het al veel te laat is”

Het taboe bij de Vlaamse boeren over psychologische problemen leeft nog steeds. “Het frustreert ons zeer wanneer mensen te laat advies vragen”, betreurt Riccy. Maar dat is grotendeels wel te begrijpen volgens de directeur, want er zijn heel wat drempels vooraleer om hulp wordt gevraagd. “Boeren kijken vaak naar hun collega’s met de bedenking : als hij het kan, waarom zou ik het niet kunnen? Vaak wil de boer ook niet dat er aan hun status wordt geknaagd. Veel mensen kiezen voor de zekerheid van de bestaande miserie, in plaats van het verspringen naar de onzekerheid van een betere toekomst.” Een gevoel van hulp-en machteloosheid bij boeren is daarvan het gevolg. “Ze hebben vaak al zodanig veel geprobeerd dat ze op den duur niks meer willen doen. Je mag als externe alles komen presenteren bij die gezinnen, maar het antwoord is vaak afkeurend : ja manneke, waarom zou uw advies wel helpen?”, zegt Riccy.

Volgens boer Marc verrichten organisaties als ‘Boeren op een kruispunt’ over het algemeen goed werk. “Het probleem is dat de meeste boeren hulp zoeken als het al veel te laat is.” Voor boeren die achterlopen met de administratie, hun kosten niet meer kunnen betalen en hun bedrijf niet kunnen moderniseren, is de situatie volgens Marc hopeloos. Marc is dan ook van het principe dat je als boer zo’n hulporganisatie niet zou mogen nodig hebben. “Je moet ondernemend ingesteld zijn om zelf te kunnen inzien wat je moet doen om het hoofd boven water te houden. Een West-Vlaamse boer heeft normaalgezien karaktertrekken waarmee ze kunnen anticiperen op hetgeen wat er op hun afkomt. Hier in West-Vlaanderen zijn de mensen van oudsher al gewend om veel en hard te werken. Uit een soort van frustratiegevoel proberen we te tonen wat we kunnen. We willen niet onderdoen voor anderen, al vergt dat soms immense inspanningen. Ze durven niet naar buiten komen met problemen uit een soort van koppigheid. De West-Vlaamse boer wil koste wat kost steeds vooruitgaan en groeien, maar dat is niet altijd mogelijk. Dat is volgens mij ook een van de redenen waarom de zelfmoordcijfers bij West-Vlaamse boeren het hoogst liggen.”

De toekomst van de Vlaamse landbouwsector

De toekomst van de landbouwsector oogt volgens Riccy niet echt rooskleurig.  Volgens Riccy wordt de sector afgeslankt tot 5000 land-en tuinbouwbedrijf binnen de tien jaar. “Wat mij de meeste zorgen wekt, is dat 50 procent van de boeren ouder zijn dan 54 jaar. Daarnaast heeft 30 procent van de landbouwbedrijven het moeilijk om te overleven. Er blijft dus maar een klein groepje over”, betreurt Riccy. De overgang naar een hoogtechnologisch, kapitaalintensieve land-en tuinbouw is volgens Riccy enkel toegankelijk voor mensen met veel middelen.

Ook Marc is niet positief over de toekomst van de landbouwsector in Vlaanderen. Het grootste probleem in Vlaanderen zijn de hoge prijzen voor landbouwgrond en de lage prijzen die boeren krijgen voor hun producten. “Vandaag verkopen wij onze tarwe aan lagere prijzen dan dat mijn vader deed in de vorige eeuw”, aldus Marc. Duidelijk iets dat niet klopt.  “De grondprijzen stijgen, de materiaalkosten stijgen, de arbeidskosten stijgen en de energiekosten stijgen, maar de verkoopsprijzen zakken.” Je hebt Vlaamse boeren die in Noord-Frankrijk grond huren om daar hun aardappelen te kweken. De voornaamste reden daarvoor is dat de grondprijzen er veel lager liggen, en je daar een grote oppervlakte kan verkrijgen. “Hier in Vlaanderen is de landbouwgrond enorm versnipperd waardoor het extra inspanningen vergt om de aardappelen te produceren.”

“De overheid is een hopeloos geval”

Op de vraag of er meer middelen nodig zijn van de overheid, antwoordt Riccy dubbelzinnig. “Onze overheid beschikt steeds over minder middelen. We kunnen enkel vragen dat de overheid de eisen van de sector zelf faciliteert en vergemakkelijkt”, aldus Riccy. Langs de andere kant zit het initiatief bij de sector zelf. “Om ons doel te bereiken, willen wij natuurlijk meer middelen, maar de vraag is of de sector het wel wilt, omdat er andere belangen zijn, zoals het innovatieve aspect.”

Riccy benadrukt dat boeren vooral kwetsbaar zijn omdat ze digibeet zijn. Het merendeel van de boeren is ouder dan 50 jaar. “Als zij nu nog moeten beginnen met die technologische innovatie, dan vrees ik dat dit niet bij iedereen zal lukken. Het wordt een uitdaging voor de ambachtelijke boeren om te overleven. Dus het is aan de overheid om vooral de alternatieven te steunen.”

Volgens Marc is de overheid een ‘hopeloos geval’. Hij verwijt de overheid niet te weten hoe de landbouwsector echt draait. “Alles wordt boven onze hoofden beslist zonder dat de beleidsmakers hun theorie aftoetsen aan de praktische gang van zaken. In Nederland zie je dat er enorm wordt geprotesteerd wordt waarbij de boeren opkomen voor hun belangen. In principe zou dat hier ook mogelijk moeten zijn, maar we zijn te gelaten”, aldus de hertenboer.  “Het zou een goede zaak zijn als de verschillende landbouworganisaties zoals de Boerenbond, de Drietand of het Algemeen Boeren Syndicaat (ABS) een protest zouden organiseren. Naar mijn mening laten we ons veel te veel doen door diegene die de wetten uitstippelen”, betreurt Marc. In 2009 ging hij zelf al eens gaan protesteren tegen de Europese landbouwhervorming in Brussel. “Van mijn streek waren we slechts met vier. Ik vroeg me af waar de anderen waren, maar blijkbaar waren ze niet gemotiveerd. Het gevoel van onmacht is te groot. Zeker als je merkt dat protestacties weinig tot geen effect hebben is het logisch dat de motivatie tot protest grondig zakt.”

Zo is de mestwetgeving bijvoorbeeld -die al jaren bestaat- totaal niet afgetoetst aan de realiteit. Aanvankelijk werden boeren beperkt in het bemesten van hun akkers met dierlijke bemesting. “We worden vandaag verplicht om kunstmest te gebruiken, wat niet te begrijpen is. Kunstmest wordt door BASF gemaakt, een industriegigant die tonnen vuiligheid de lucht instuwt. Daarnaast is het gebruik van dierlijke mest circulair. “Als onze koeien gras en bieten laat eten, en wij daarna hun mest gebruiken om de akkers te bemesten waarop onder andere die bieten groeien, is dat een veel betere zaak voor het milieu. Ik begrijp de mensen niet die deze regeltjes uitstippelen”, vertelt Marc.

De druk op het klimaat

Marc betreurt dat de consummatie van seizoensgebonden producten verleden tijd is. “Want dat zorgt voor een grote druk op ons klimaat, denk alleen al maar aan het transport”, aldus Marc. Als boer is Marc zelf continu bezig met het milieu. Hij probeert zo duurzaam mogelijk te werken. “Kijk maar naar ons systeem van de korte keten. Ik bemest bijvoorbeeld zo gericht mogelijk, dat er geen sprake is van overdaad. Bestrijdingsmiddelen hanteer ik ook zo voorzichtig mogelijk, we bekijken eerst altijd of er sprake is van schade door insecten vooraleer we sproeien. Zo zetten we vallen uit waarbij we kunnen tellen hoeveel en welke insecten er op onze gronden aanwezig zijn.”

Daarnaast benadrukt Marc het feit dat de landbouwsector de enige economische sector is die CO2 uit de lucht haalt. “Alles wat we kweken vormt CO2 om en verplaatst verontreinigde lucht naar de grond.” Grasland speelt hierin een zeer belangrijke factor omwille van het feit dat grasland niet wordt omgeploegd. De CO2 die via de wortels naar de grond wordt afgevoerd geraakt zo niet meer in de atmosfeer terecht. “Ik pleit ervoor dat de boer betaald moet worden voor de hoeveelheid CO2 die ze uit de lucht halen. Daar is het beleid nu reeds mee bezig. Je kan perfect meten aan de hand van bodemtesten wat het aandeel is van de landbouwgrond in de omzetting van luchtverontreiniging”, besluit Marc.

Het is duidelijk dat de toekomst van de Vlaamse landbouwsector er niet rooskleurig uitziet. Boeren blijven vechten om hun inkomen te garanderen. Boeren op een Kruispunt probeert het leven van de boer te vergemakkelijken, maar de situatie blijft schrijnend. De organisatie biedt zichzelf aan als een reddingsboei voor boeren in problemen, maar het is onmogelijk om een ommezwaai in de landbouwsector te maken. De Vlaamse boer is een uitstervend ras.