Reeks: de vragen van Proust in studentenversie – Morgane Lemiengre interviewt Maxim De Roo

Schrijver Marcel Proust beantwoorde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft Morgane Lemiengre er een eigenzinnige draai aan. Twaalf directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Vandaag: atleet en toekomstig journalist Maxim De Roo (19). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?

Hoe oud voelt u zich?

“Ik voel me zo goed als mijn werkelijke leeftijd. Ik ben nu negentien jaar en volgende maand in december word ik er twintig. Ik moet wel zeggen dat ik regelmatig rugklachten heb, dat is iets wat in de familie zit. Meestal begint dat in mijn onderrug, maar omdat die ruggengraat verbonden is met alles, straalt die pijn door naar mijn nek. Rugproblemen zijn misschien klachten die eerder voorkomen bij ouderen. Waardoor ik me soms echt vijftig jaar ouder voel, maar niets is zo ernstig dat een bezoekje aan de osteopaat niet verhelpen kan. Soms voel ik me dan weer jonger dan negentien. Ouder worden schrikt mij af. Niet per se op lichamelijk vlak, maar zo eerder die speelsheid verliezen en zelfstandig moeten zijn. Bijvoorbeeld: ik kan me nu niet inbeelden dat ik binnen twee jaar in het werkveld zou staan, ik vind dat echt beangstigend.”

 

“Ouder worden schrikt mij af. Niet per se op lichamelijk vlak, maar zo eerder die speelsheid verliezen en zelfstandig moeten zijn.”

 

Wat is uw passie?

“Mijn grootste passie is mijn sport: atletiek. Op zich doe ik dat nog niet zo heel lang, ongeveer vijf jaar. Naar atletieknormen ben ik dus vrij laat begonnen. Ik heb daar eigenlijk altijd spijt van gehad, omdat ik nu op een redelijk hoog niveau meekan. Dat blijft dan ook constant door mijn hoofd spoken: wat als ik nu op vijfjarige leeftijd was begonnen? Waar zou ik dan al gestaan hebben? Wat zou ik dan al bereikt kunnen hebben? Mijn doel nu in atletiek is eigenlijk elke wedstrijd gewoon beter doen dan de wedstrijd ervoor. Ik concentreer me vooral op de Provinciale, Vlaamse en Belgische Kampioenschappen. Gisteren heb ik nog meegelopen in Roeselare in de Cross Cup, dat is een van de weinige wedstrijden waarbij je echt met de grote toppers van op televisie kan meelopen. Dat is wel echt een speciale ervaring. Mijn andere passies zijn lezen en schrijven. Later zou ik daar dan ook mijn beroep van willen maken, als sportjournalist voor een krant of een tijdschrift.”

 

Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken? 

“Ik geef graag complimenten aan anderen, het maakt me gelukkig als ik een smile op iemands gezicht kan toveren. Natuurlijk krijg ik dan zelf ook wel graag eens een complimentje. Verder word ik echt blij van extreem warme douches. Ik kan daar echt uren van genieten door de regelaar te wisselen van koud naar extreem warm. Als ik dan uit de douche kom, zit ik precies in een Turks stoombad. Het is niet echt milieuvriendelijke en ook mijn ouders kunnen er niet echt mee lachen, maar ik kan daar echt door ontspannen. Ik ben absoluut geen fan van een bad nemen. Misschien is het wat cliché, maar het idee om in je eigen vuiligheid te liggen, vind ik maar niks. Een van die zeldzame momenten dat ik wel een bad zou nemen, is een ijsbad na een atletiekwedstrijd.

 

Wanneer hebt u voor het laatst gehuild?

“Mijn vriendin heeft mij een jaar geleden gedumpt voor een van mijn beste vrienden. Dat kwam super onverwacht want we waren al twee jaar heel gelukkig samen. Ik moet zeggen dat ik daar misschien niet helemaal realistisch in was. Ik zat al met mijn hoofd in de wolken, ik dacht zelf al aan huisje, tuintje, kindje. Voor mij was zij mijn droomvrouw, zij had alles wat ik zocht in een meisje. Van de ene op de andere dag was het plots gedaan en dat voelt als een slag in je gezicht. Ik ben daar echt niet goed van geweest. Ik heb ook nooit echt antwoord gekregen op de vraag waarom. Ja, dan begin je jezelf af te vragen of ze die twee jaar wel serieus was. Ze is een heel tijdje ziek geweest misschien dat het daar iets mee te maken had, omdat het haar allemaal wat te veel werd. Ik moet wel toegeven dat ik regelmatig nog eens met haar afspreek als vrienden. Maar telkens na een ontmoeting, begin ik dan te twijfelen of dat eigenlijk wel nog een goed idee was. Ik kwel mezelf door die herinneringen terug boven te brengen. Maar tegelijk kan ik ze ook niet missen. Die vriend waar ze nu dus ook mee samen is, heb ik volledig laten vallen.”

 

“Ik zat al met mijn hoofd in de wolken, ik dacht zelf al aan huisje, tuintje, kindje. Voor mij was zij mijn droomvrouw, zij had alles wat ik zocht in een meisje.”

 

Waar hebt u spijt van? 

“Ik zeg te weinig letterlijk de woorden: mama, ik hou van jou. Ik heb het daar wel moeilijk mee om dat face to face te zeggen. Ik ben iemand die dat zo eerder laat zien in kleine dingen, bijvoorbeeld door naar de bakker te gaan of het ontbijt al klaar te zetten. Ik denk wel dat ze die woorden graag ook eens letterlijk uit mijn mond wil horen, maar ook al is ze mijn mama, ik vind dat een redelijk grote stap. Mij echt kwetsbaar opstellen vind ik moeilijk, zeker sinds die break-up met mijn vorige vriendin is dat alleen maar lastiger geworden. Ik heb dat, denk ik, ook wel mee van mijn papa, wij zijn beiden niet zo goed in communiceren over gevoelens. Alhoewel mijn mama nog nooit heeft gezegd dat ze dat verlangt van ons, toch ben ik er steevast van overtuigd dat elke man of vrouw nood heeft aan die liefde of geborgenheid.”

 

Welk kunstwerk heeft een blijvende indruk op u nagelaten?

“Het laatste stukje kunst dat ik mij herinner, heb ik een jaar geleden gezien in Oostende op de zeedijk. Daar stonden van die grote rode blokken ofwel de ‘Rock Strangers’ van Arne Quinze genoemd. Die hebben eigenlijk wel een indruk nagelaten, alleen weet ik niet of die positief of negatief is. Er kwam ook vrij veel kritiek op het kunstwerk in de media, over onder andere het kostenplaatje en de belemmering van het uitzicht. Nu ik het van dichtbij heb gezien, weet ik niet echt of ik het als kunst moet aanschouwen. Ik heb zelf humane wetenschappen gevolgd waarbij we ook een uurtje les kregen over kunst. Als ik het dan vergelijk met de kunstwerken die we in die lessen besproken hebben, dan kun je het geen kunst noemen. Ik denk dat de kunst van nu eerder focust op het waarom dan op specifiek het talent van de kunstenaar. Dus misschien zit er achter die rode blokken ook wel een idee en dat trekt me dan wel weer aan om daarnaar opzoek te gaan.”

 

Hoe kijkt u naar uw lichaam?

“Ik kijk eigenlijk vrij positief naar mijn lichaam. Doordat ik redelijk veel sport, blijf ik ook wel in conditie. Ik probeer zoveel mogelijk te letten op mijn voeding, ook al is dat soms wat moeilijk als student. Ik zit gelukkig niet op kot dus de mama zorgt wel dat ik al mijn voedingssupplementen zeker binnen heb. Natuurlijk eet ik ook graag wel eens iets vettig, dan kies ik voor de gemakkelijke optie om snel even in de drive-in van de Burgerking te staan. Een negatief punt aan mezelf vind ik mijn lengte. Ik zou graag iets kleiner zijn. Meestal hoor je de omgekeerde versie dat kleine mensen graag wat groter zouden zijn. Ik vind mezelf soms echt lomp, ik kan echt over van alles struikelen. Maar misschien heeft dat eerder te maken met wie ik ben en niet met mijn grootte (lacht). Vroeger ben ik ook zwaar gepest geweest om mijn grootte dus ik denk dat dat mentaal nog altijd meespeelt. In het zesde leerjaar had ik al mijn groeispurt gehad terwijl de andere kinderen die nog moesten krijgen. En dan komen de typische opmerkingen boven: ‘hoe is het weer daarboven?’. Wat nu een normale grootte is voor een jongen, was dat in het lager uiteraard niet, maar ik heb er vrede mee leren nemen.”

 

Wat is uw goorste fantasie?

“Goh dat is echt een moeilijke vraag. Het eerste dat in mij opkomt is iets op seksueel vlak. Nogal typisch voor een man, maar ja dat ben ik ook. Ik denk dat iedereen wel fantasieën heeft.  Of ze nu goor zijn of niet, dat is een andere kwestie. Dus ik denk dat ik toch voor het meest standaard antwoord ga: een trio. Liefst wel met twee vrouwen, want een andere man zou me afschrikken. Ik zeg niet dat het er ooit van zal komen, daarom is het ook een fantasie. Maar je weet natuurlijk nooit wat er kan gebeuren hé (lacht).”

 

“In een maatschappij waar meer en meer jongeren ten prooi vallen aan mentale problemen, moet het juist oké worden om je gevoelens te uiten als dat nu bij fysieke of mentale pijn is.”

 

Hoe is de relatie met uw ouders?

“Ik heb al altijd een goede band gehad met mijn ouders. Ze zijn al samen sinds hun achttien jaar. Ik denk niet dat er veel kinderen zijn die dat kunnen zeggen met al die scheidingen tegenwoordig. Dus daar ben ik echt wel trots op. Mijn vader heeft onlangs wel een depressie gehad, nog altijd eigenlijk. Dat kwam voornamelijk door zijn werk als arbeider in een textielfabriek. De werkdruk werd voor hem te hoog. Ook de constante werkonzekerheid heeft zijn tol geëist. Dat uitte zich vooral in moeheid. Je zag hem nooit in zijn zetel zitten en plotseling was hij van de ene op de andere dag iemand anders zonder energie. Toen ik op school zat, kreeg ik plots een bericht, dat de huisdokter hem had laten opnemen in het ziekenhuis. Ik was wel in shock, want uiteindelijk was hij wel futloos en moe, maar tegenwoordig kampen heel wat mensen met die verschijnselen. Hij deed zich dan ook veel sterker voor dan hij was. Nu is hij opnieuw thuis met ziekteverlof, maar wel aan de betere hand. Ik denk wel dat dit voorval ons dichter bij elkaar heeft gebracht. Mijn papa is niet zo een grote prater, maar sinds zijn depressie gaat hij nu ook naar een psycholoog en we merken wel dat hij hierdoor opener is geworden. Met mijn mama daarentegen kan ik echt diepe gesprekken voeren. Hierdoor heb ik een hechtere band met haar. Ik durf te stellen dat jongens vanuit hun opvoeding al meekrijgen dat wenen, bijvoorbeeld bij een valpartij, eerder iets voor meisjes is. Als jongen moet je je veel sterker houden dan je op dat moment bent. Ook vanuit de media worden deze stereotypen ons opgedragen. Als jongens worden we geleerd om onze gevoelens te verbergen. In een maatschappij waar meer en meer jongeren ten prooi vallen aan mentale problemen, moet het juist oké worden om die gevoelens te uiten, of dat nu bij fysieke pijn of mentale pijn is. Anders ga je daar onderdoor.”

 

Bent u een goede vriend?

“Ik vind mezelf wel een goede vriend. Ik probeer ook iedereen te behandelen zoals ik zelf behandeld zou willen worden. Vrienden komen meestal niet voor mijn goede raad of advies naar mij. Ik zou ook niet echt weten hoe ik iemand moet troosten. Ik ben eigenlijk eerder de persoon die ze zal afleiden van hun probleem. Door hun zinnen op andere zaken te zetten die ons beiden interesseren, zoals bijvoorbeeld samen naar een basketbal match gaan kijken of een pint drinken. Mijn vriendenkring is niet supergroot, maar ik kan wel zeggen dat mijn vrienden voor mij door het vuur zouden gaan en omgekeerd zou ik dat ook voor hen doen. Ik probeer dan ook echt wel die vriendschap te onderhouden door regelmatig af te spreken. Uiteraard moet dit net zoals in een relatie wel van beide kanten komen. Als ik echt met problemen zit, zou ik daar zeker mijn vrienden over in vertrouwen nemen, terwijl ik tegen mijn ouders eerder faits divers vertel. Vrienden kunnen ook betere tips geven omdat ze in die zelfde leefwereld zitten en dezelfde leeftijd en humor hebben als ik.”

 

Wat is voor u de hel op aarde?

“De hel op aarde is voor mij school. Al van kleins af is school een plek waar ik me niet thuis voel. Vorig jaar bereikte dat echt een hoogtepunt, toen ben ik naar veel – of toch volgens mijn normen veel – lessen niet gegaan. Het interesseerde mij allemaal niet meer. Ik denk dat ik dit jaar nog maar een stuk of vier keer niet geweest ben, dus eigenlijk vind ik dat wel een mooie prestatie. De schoolsystemen in het algemeen vind ik ver van ideaal. Er wordt te veel gefocust op prestaties van leerlingen bij taken en examens. Een typerende en meestgestelde vraag hiervoor is: ‘Telt dat mee voor punten?’ Of ‘Moeten we dat kennen voor de examens?’. Er moet gewoon meer ingezet worden op de nuttige zaken voor studenten in plaats van vast te houden aan wat er in het leerplan staat.”

 

Wat betekent hel voor u? 

“Ik heb een redelijk nuchtere kijk op het leven. Na de dood word je begraven of gecremeerd en dan stopt het leven. Dat klinkt misschien cru, maar ik geloof niet in leven na de dood. Begrijp me niet verkeerd, ik zou graag willen geloven dat er een hemel of een hel bestaat. En naar het einde van je leven toe, moet dat wel een geruststelling zijn. Los daarvan als ik aan een hel voor mij moet denken dan zou dat de ziekte van Alzheimer zijn. Ik heb gezien wat de ziekte aanricht en ik zou zelf liever hebben dat ze mijn leven dan beëindigen. Want voor mij zou dat ook geen leven zijn. Je verliest alle herinneringen die je in heel je leven hebt opgebouwd en als je dan niet meer kunt praten dan ben je helemaal alleen in je eigen leefwereld. Want niemand kan jou bereiken en jij kan ook niemand bereiken. Dat is mijn ergste nachtmerrie die ik mijn grootste vijand niet toewens.”